logo

columns Marc Van den Hoof


Thinking Jazz‘ door Marc Van den Hoof (verscheen in Jazzmo’ 2017|1)

Eén van de boeiendste jazzboeken blijft wat mij betreft Paul Berliners Thinking in Jazz – The Infinite Art of Improvisation. Berliner is een ethnomusicoloog en heeft gepubliceerd over het gebruik van de mbira, de duimpiano, in Zimbabwe. 15 jaar lang heeft hij daarna geprobeerd een antwoord te vinden op de vraag hoe jazzspelers leren improviseren, zowel individueel als in groep.

Als trompettist had Berliner het zelf geprobeerd. Nadat hij geruime tijd les volgde bij een jazztrompettist en op den duur alles onder de knie had wat die hem had bijgebracht, constateerde hij
tot zijn verbazing dat hij er nog steeds niet in slaagde iets te improviseren dat op jazz geleek. Hij kon inderdaad alles spelen wat hij geleerd had, maar om er jazz van te maken, zei z’n leraar, moest er nog dit bij en dat bij, en dat waren dingen, die je, tja, niet echt op deze manier kon leren.

Dan maar op onderzoek uit. Om erachter te komen hoe het in de jazz dan wel in z’n werk ging, sprak Berliner in de loop van die 15 jaar min of meer uitvoerig met zo’n 50 jazzmusici aan wie hij telkens dezelfde vragenlijst voorlegde. Die gesprekken resulteerden in een turf van bijna 900 pagina’s waarin geleidelijk duidelijk wordt wat voorafgaat aan dat zo vanzelfsprekend lijkende picking notes out of thin air, de improvisatie die voor de jazz zo essentieel is en er zo’n uniek genre van maakt. Het hele verhaal eindigt met een epiloog waarin de jazz a way of life heet te zijn, en daarmee begint het relaas eigenlijk ook: hoe jazzmusici de liefde voor hun muziek van huize uit meekrijgen en hoe ze aanvankelijk het een en ander opsteken van een of meer mentoren, die oog en oor hadden voor het jonge talent. En dan komt de tijd om zoveel mogelijk muzikale ‘geleerdheid’ op te doen. Zo leerde je dus jazz: zoals Johnny Hodges in de jaren 20 bij Sidney Bechet al doende sopraansax leerde spelen, en zoals John Coltrane 30 jaar later op zijn beurt bij Hodges in de leer was. Of om dichter bij huis te blijven: als aan Jack Sels gevraagd werd hoe je dat eigenlijk deed, jazz spelen, dan antwoordde mijnheer Sels schouderophalend dat je dat kon of dat je dat niet kon, veel meer viel daar niet over te vertellen. Maar als Sels ergens talent vermoedde, nam hij de aspirant jazzspeler onder z’n hoede en mee on the road, kopje onder in de way of life die de jazz was. Veel uitleg kwam daar niet bij kijken.

Philip Catherine moet erover kunnen meepraten. Etienne Verschueren volgde het voorbeeld en inviteerde als het enigszins kon de jonge Bert Joris of Peter en Johan Vandendriessche in het BRT
Jazzorkest. En de eerste keer dat ik Frank Vaganée bezig zag en hoorde was in een uitzending met publiek van het programma De gewapende man bij de toenmalige Omroep Brabant. Julien Put die er 3 uur lang de gastheer was, had die dag Toots op bezoek en zoals elke gast was Toots gevraagd een volgens hem zoals dat nu heet ‘aanstormend jong talent’ mee te brengen – en dat was Frank, die toen ook al tijdens het soleren op de toppen van z’n tenen ging staan, in alle betekenissen van het woord.

Een way of life. Ik denk ook nog aan Ben Webster die in de mooie documentaire Big Ben in Amsterdam van Johan van der Keuken vertelt hoe zijn held altist Hilton Jefferson, naast wie hij in de band van Fletcher Henderson zat, niet alleen een fijne saxofonist was, maar ook een heer: Hilton Jefferson, aldus Ben Webster, die at met mes en vork. Epilogue: Jazz as a Way of Life.

Paul Berliner
Thinking in Jazz
The University of Chicago Press, 1994



Abonneer